“We zijn verdomd gelukkig; onder andere door de zeer gevarieerde en uitdagende arbeidsmarkt.” Ruut Veenhoven onderzoekt al dertig jaar wereldwijd het geluksgevoel. Uit zijn World Database of Happiness concludeert hij dat we ons geluk vooral danken aan de meerkeuzemaatschappij. “Die dwingt tot nadenken over wat het meeste geluk oplevert. Sommige mensen leggen teveel in het mandje van de carrière.”
U zei in een interview dat carrière niet van invloed is op geluk. Dat lijkt me een boude stelling.
“Daarmee bedoel ik carrière in de zin van hogerop komen. Bij geluk gaat het erom dat je lekker bezig bent. Daarvoor hoef je niet uitsluitend in directiekamers te vertoeven. Je ziet wel dat mensen in beroepen met een hogere status iets gelukkiger zijn, maar dat zit ‘m waarschijnlijk in de vrijheid die ze hebben. De correlatie tussen geld en geluk is buitengewoon klein. Bij mensen die meer geld krijgen zie je een kortstondige opleving, maar na een jaar is dat extra geluk weg. In een arm land heeft een loonsverhoging natuurlijk wel meer effect dan hier.”

U noemt dat de wet van de afnemende meeropbrengst.
“Ja, als je kijkt naar een grafiek van het gemiddeld geluk in landen, zie je dat eerst toenemen met het inkomen, maar daarna vlakt het af. Het geluksverschil tussen rijk en heel rijk zie je nauwelijks.”

Veel mensen voelen zich niet gelukkig in hun werk. Het is saai of ze hebben last van stress, vervelende collega’s of een incompetente baas. Wat zou je die mensen aanraden?
“In bepaalde beroepen zijn mensen gemiddeld minder gelukkig; dat zit met name in de zelfcontrole. Het kan ook zijn dat je als persoon niet in dat beroep past. Dan kun je beter iets anders gaan doen. Een andere mogelijkheid is dat het in jezelf zit; dat je in elke baan ongelukkig wordt, omdat je nou eenmaal een neuroot bent. Dan helpt het niet om je baan op te zeggen, want je neemt de ellende met je mee. Loop dan eens langs bij het RIAGG; en als dat niet helpt: jammer dan.

“Als je je baan niet geweldig vindt en je ziet geen alternatief, moet je zoveel mogelijk compensatie zoeken. Wat minder werken of leuke dingen doen. Geluk is tenslotte de balans tussen positieve en negatieve gevoelens.”

Is de jacht naar geluk niet een hype? Het lijkt aangejaagd door de commercie met z’n droombeelden in de reclame. Moeten we het geluk niet juist vinden in immateriële zaken?
“Reclame probeert consumptiegoederen te verbinden aan geluk, met plaatjes van lachende mensen. Je kunt je geluk niet op met al die wasmiddelen! Maar er zijn weinig mensen die denken dat je gelukkig wordt van waspoeder. [“Nou, soms wel hoor!” roept de koffiejuffrouw die net binnenkomt… OvB]”

Maar veel mensen hebben toch de neiging hun verdriet of onvrede te verdringen door te gaan winkelen?
“Ja, maar het geluksonderzoek laat zien dat het verband met materiële goederen beperkt is. Een eigen huis of een auto maakt wel iets uit. Ik denk dat de belangstelling voor geluk niet zozeer door het kapitalisme wordt aangewakkerd, maar die is structureel. Als grote problemen als armoede en onderdrukking weg zijn, vraagt de mens zich af wat hem verder gelukkig kan maken.

“De samenleving ontwikkelt zich steeds meer tot meerkeuzemaatschappij; keuzes worden steeds minder voorgeschreven door familie of de kerk. Bij al die keuzes vragen mensen zich af waar ze het gelukkigst van worden. Vroeger kon je bijvoorbeeld te snel kinderen krijgen. De pil maakte een bewuste keuze mogelijk. Overigens blijkt uit onderzoek dat je iets minder gelukkig wordt van kinderen krijgen; het gaat om de balans tussen voor- en nadelen.”

Geld en kinderen maken dus niet gelukkig. Wat dan wel?
“Er is een discussie onder een aantal economen over wat nou gelukkig maakt. Er is een stroming die zegt: vriendschap, liefde en familie, dus we moeten wat minder werken. Daarachter hoor ik het zachte gezang van een feministisch koor. Minder voor de baas en meer voor de vereniging. Deze boodschap komt dus heel goed aan in het feminisme en het communitarisme. Ik geloof dat er wel wat in zit. Sommige mensen leggen teveel in het mandje van de carrière. Dat maakt ze kwetsbaar als het werk wat minder gaat. Het is altijd verstandig een redelijke mix te houden.

“Maar mensen slaan door als ze zeggen: ‘extra inkomen maakt niet gelukkig, dus werk maakt niet gelukkig’. Nee, we zijn gelukkiger dan ooit in de geschiedenis; ik denk dat dat voor een deel komt door het werk. Als je niks te doen hebt, verveel je je de ogen uit je hoofd. Daarom nemen veel huisvrouwen de dubbele belasting van een baan op de koop toe. Die willen buiten de deur komen en lekker bezig zijn. We zijn en blijven verdomd gelukkig; ik denk dat dat onder andere komt door de zeer gevarieerde en uitdagende arbeidsmarkt. Door het wegautomatiseren van saaie rotbanen is de kwaliteit van de arbeid behoorlijk toegenomen.”

Waar komt geluksbeleving eigenlijk vandaan? Dient het een doel?
“Wanneer je je vermogens goed gebruikt, beloont de natuur dat met een goed gevoel. Dat psycho-biologische mechanisme komt voort uit de evolutie. Als jager of verzamelaar moest je je fit voelen en op tijd kunnen wegrennen voor een slang of een leeuw. We zijn er dus op gebouwd op een redelijk hoog attentieniveau te functioneren. Maar in de tijd van de landbouwsamenleving sloeg de verveling toe; je stopte een aardappel in de grond en moest vervolgens lang wachten tot er iets uit kwam. Dat maakt vreselijk lui, en dat is waarschijnlijk de reden dat dat niet zo’n gelukkige periode voor de mensheid is geweest.

“Als je de geschiedenis van geluk van de mensheid weergeeft in een grafiek zie je een langdurige constante. Na de agrarische revolutie zakt het in, en na de industriële revolutie zit het geluk weer in de lift. Niet alleen doordat goederen nu veel efficiënter worden geproduceerd, maar ook doordat arbeid veel gevarieerder is en dus aansluit op de menselijke behoefte om bezig te zijn en scherp te blijven.”

U denkt ook dat individualisme geluk bevordert. Maar in hechte gemeenschappen kunnen mensen zich toch veilig en geborgen voelen, en dus gelukkig?
“In Japan zijn mensen duidelijk minder gelukkig dan in het Westen. Dat zit ‘m waarschijnlijk in dat collectivisme; je bent daar erg onderdeel van een groep. De baas zoekt een verloofde voor je uit. Daar is een mens niet op gebouwd. De mens heeft 95 procent van z’n bestaan als jager-verzamelaar in vrij losse verbanden geleefd. Rondtrekkend in kleine groepjes waren ze redelijk individualistisch, vergelijkbaar met mensapen.

“Wij zijn dus sociale dieren met een voorkeur voor zwakke en inwisselbare banden. Bij jagers-verzamelaars komt seriële monogamie vaak voor. Door de landbouw raakten mensen afhankelijker van hun samenleving, want ze moesten hun land en de oogst beschermen. Je bent dan veel meer aangewezen op de groep. Daarom was de invloed van de kerk en de familie in de Middeleeuwen sterk. Maar daar is de mens van nature niet zo geschikt voor. Dus toen men door de industriële revolutie aan de sociale druk kon ontsnappen, deed men dat ook. Men trok naar de stad, ook al waren de leefomstandigheden daar niet zo goed.”

Van: Loopbaan.nl, Onno van Buuren